Rajasthan

Udaipur, dinsdag 24 december t/m donderdag 2 januari

Per bus bereiken we in de middag de stad Udaipur, James Bond's 'Octopussy' city! Grappig dat we hier de feestdagen gaan doorbrengen, daar we eerst gedacht hadden deze op Goa door te brengen. Drastische wijziging in de o zo fameuze planning maar zeker een goede keus! De stad komt op ons over als een gezellig metropooltje, een oase in het woestijnachtige landschap, met haar compacte centrum van nauwe straatjes, steegjes en paadjes, gesitueerd rondom koninklijke residenties en het prachtige 'Lake Pichola'. Een prima plek om een beetje 'vakantie' te houden, een rustpuntje tijdens onze lange reis. Gelegen in een vallei tussen de heuvels van Zuid Rajastan wordt Udaipur door velen beschouwd als een van de meest romantische steden van India. Sterk in contrast met enkele woestijnbuursteden biedt het een betoverend beeld van witte marmeren paleizen, heldere meren, aantrekkelijk tuinen en groene heuvels. Hoog boven het Pichola meer torent het massieve paleis van de Maharana's uit, van waaruit het zomerpaleis te midden van het meer haast een sneeuwvlok lijkt. De huisjes, tempels en typische haveli's (koopmanshuizen in de bijzondere stijl van het stadpaleis) liggen gezellig gesitueerd rond paleizen en meren.

Het guesthouse wat we hadden uitgezocht blijkt een waar juweeltje te zijn. De kamer is in de stijl die wij ons bij Rajastan hadden voorgesteld: blauwe muren, nisjes, zitje in het raam, boogramen, kortom, een fijne plek om eens te flexen! We besluiten dan ook tot na de jaarwisseling te verblijven in guesthouse Mona Lisa. We zien een beetje op tegen het zolang verblijven op een en dezelfde plek nu het reisvirus ons te pakken heeft, maar gelukkig heeft Udaipur de reiziger veel te bieden. De eerste dagen van ons verblijf rusten we lekker uit en dwalen we door de straten op zoek naar leuke spulletjes die in ons aankomende pakketje mee kunnen worden gestuurd. Omdat de winkeltjes rondom de grootste bezienswaardigheden echt belachelijke prijzen vragen dwalen we af naar de lokale winkeltjes en kleurige marktjes. Hier voelen wij ons wat meer op ons gemak en gelukkig zijn de prijzen hier (zelfs voor westerlingen) relatief laag.

Een van de grootste bezienswaardigheden van Udaipur is het 'City Palace', en een bezoekje aan dit oosterse paleis kunnen we dan ook niet overslaan. Het indrukwekkende complex van verschillende paleizen is druk bezocht en het is duidelijk waarom. Een deel van het paleis wordt nog steeds bewoond door de koninklijke familie. Wij zijn onder de indruk maar verbazen ons vooral over de aaneenschakeling van kleine ruimtes, met de bijbehorende lage deuren. De Maharaja heeft wel een goede plek uitgezocht voor dit bouwwerk, aangezien je vanuit het paleis echt een geweldig uitzicht hebt over zowel 'Lake Pichola' als over de rest van de stad.

Dat de Maharaja van mooie uitzichten hield blijkt ook uit het feit dat het 'Monsoon Palace' (vroeger gebruikt tijdens de monsoen) hoog tegen een berg aanligt, 15 kilometer buiten de stad. Nadat wij een kijkje zijn gaan nemen in Shilipgram (craft-village), een dorpje waar tradities uit omringende staten tot leven worden gebracht (valt tegen), beginnen we aan een afwisselende wandeling door de droge velden, zanderige vlaktes en kleine dorpjes richting het Monsoon Palace.

Het paleis zelf schijnt niet veel meer dan een ruine te zijn en het dak volgebouwd met antennes. Helaas zullen wij dit nooit weten, ook al kun je door de bewaker te 'tippen' toegang krijgen tot dit complex. Het probleem is dat het paleis tegenwoordig in een nationaal park ligt waar buitenlanders weer eens een absurd hoge toegangsprijs moeten betalen, en dit is iets wat wij er niet voor over hebben. Maar om toch te kunnen genieten van een mooie 'view' beklimmen wij een naburige berg en wandelen nadien door de droge streek terug naar Udaipur. Aan het eind van de dag kijken we terug op een geslaagde dag. Vooral omdat we voor de verandering eens hebben kunnen kijken in echte Indiase dorpjes, zonder de toeristische drukte.

De kerstdagen vieren in India is een vreemde gewaarwording. Iedereen zal wel denken dat wij lekker in het zonnetje zitten en flink zweten, en dat is ook zo. Maar als de zon onder gaat daalt de temperatuur tot zo'n acht graden celcius, een temperatuur om bij te bibberen. En dus hebben wij ook in het zanderige Udaipur een koude kerstnacht. Omdat er in Udaipur weinig christenen zijn wordt kerst hier amper gevierd. Af en toe zie je wel een soort kerstboompje (versierde cactus) maar waarschijnlijk alleen opgetuigd voor toeristen. De kerstdagen zijn ons dan ook een beetje ontgaan, mede omdat er zoveel andere praktiserende religie om ons heen leven.

Ondank dat oud & nieuw hier 'English Newyear' wordt genoemd willen we dit wel graag vieren. Op oudjaarsdag beklimmen we een berg (Jal Burj) ten zuiden van de stad. Een aangename wandeling brengt ons naar de top van de berg waar een oud verdedigingswerk ligt. Vanaf dit fort is te zien hoe de stadsmuren vroeger hebben gelopen. Op deze hoogte is ook goed te horen hoe de stad gonst van de geluiden. Na enige tijd te hebben doorgebracht op deze buitengewone plek, begeven we ons weer naar beneden. Bij het café halverwege aangekomen eten we wat pakoras en drinken chai, voordat we terug lopen naat het centrum.

We brengen de avond door in het verlaten 'Sunrise Restaurant' waar we rust, een goed gesprek en en heerlijke maaltijd vinden, nog even ver weg van de - overigens zowat verlaten - feesttenten. Als het tegen twaalf uur loopt begeven we ons naar een rustig feestje op het hoogste dak van Udaipur, de restaurant-eigenaar een groot plezier doende omdat we haast waren vergeten dat de beste man misschien ook wel eigen plannen had. De jaarwisseling is werkelijk bijzonder te noemen, haast magisch: hoog boven de stad met zijn honderden lichtjes, zijn schitterende paleizen en haveli's, een biertje in de hand (dat is lang geleden!) en genietend van het simpele maar daardoor mooie vuurwerk dat spiegelt in de wateren van het meer. Noemenswaardig is dat de lokale heerser van de stad betaald heeft voor het vuurwerk. Hoewel we ons een paar uur later richting bed begeven - vroeger dan verwacht maar de kou wordt ondragelijk - kunnen we met recht zeggen dat het een oud & nieuw is dat we niet snel zullen vergeten, maar dat geldt eigenlijk wel voor alles dat we op onze reis zijn tegengekomen!

We sluiten ons verblijf in Udaipur af met een bezoek aan de nabij gelegen jaintempels van Ranakpur. Alleen de busreis naar het verlaten stadje zelf al is noemenswaardig. We hebben vaker in een flink rammelende bus gezeten, maar dit is toch wel het toppunt: de rit hobbelt en bobbelt, drie uur lang flinke misselijkheid voor Mijke, en tenslotte houdt de bus het ook niet meer en er moet gestopt worden. Maar een beetje gelas en geknutsel zorgt ervoor dat de bus, hoe wrakkig ook, zijn ritje weer voort kan zetten en ons veilig in Ranakpur kan afzetten.

Onbeschrijflijk zijn de jaintempels in Ranakpur, zo bijzonder gedetailleerd en wonderschoon als ze zijn. Dat het een jaintempel is, is duidelijk merkbaar en we zijn dan ook goed voorbereid: we dragen geen zwarte kleding, alle lederen spullen zijn thuisgelaten en Mijke is niet ongesteld. Alles wat onrein is in de ogen van de jains is verboden in het tempelcomplex, en alles wat leeft mag geen geweld worden aangedaan. Dit laatste principe dat bepalend is voor de ethiek en de waarden van het jainisme spreekt ons bijzonder aan en het is dan ook pijnlijk, respectloos, om te zien dat de meeste (Indiase) mannen en vrouwen wel iets van leer dragen binnen de tempel! Onvoorstelbaar, werkelijk onvoorstelbaar terwijl het principe van geweldloosheid naar ieder levend wezen toe ook voor hindoes niet vreemd is. Hieruit blijkt duidelijk hoe moeilijk het is een zeer levendige religie (het jainisme is vandaag de dag een steeds populairder wordende religie!) te combineren met cultureel erfgoed, want hoe bijzonder de tempels in dat laatste opzicht ook zijn, we mogen niet zomaar vergeten dat het om dienstdoende tempels gaat.

Dat veel jains behoorlijk welvarend zijn is goed te merken aan het rijkelijk gedetaileerde interieur van de tempels. Mooie marmeren afbeeldingen, inscripties en ornamenten maken het een van de meest bekende jain-tempelcomplexen, en het is dan ook een van de vijf heilige jainplaatsen en een populair pelgrimagecentrum. Omdat de jains zowat alle beroepen behalve het bankwezen en de handel als geweldadig ervaren, is het specifiek het principe van geweldloosheid eigen aan het jainisme dat maakt dat de bouw van zulke geweldige tempelcomplexen, zoals deze uit de vijftiende eeuw, mogelijk is - meestal een schenking aan de jaingemeenschap. Met name de tempelsetting maakt de marmeren tempels onvergetelijk, gelegen in een oase van niets anders dan bergen groen. Het is de hobbeldebobbel rit naar en van het plaatsje meer dan waard!


Mount Abu, vrijdag 3 januari t/m zondag 5 januari

Tijd om weer op reis te gaan! Dat de busreis naar onze volgende bestemming Mount Abu een tijdje gaat duren is niet vreemd, Mount Abu ligt op een hoogte van 1720 meter (Rajastan's enige 'hill resort') en vele kilometers van Udaipur vandaan. Omdat de rit zelf door een prachtig afwisselend landschap gaat gaan de uren snel voorbij. Vooral de laatste kilometers die ons van de vlaktes hoog de bergen in brengen zijn geweldig en het uitzicht over de vlaktes wordt steeds mooier. Dit belooft wat voor Mount Abu zelf!

De hoogte waarop het stadje gesitueerd is geeft ons de mogelijkheid ongestoord de natuur in te trekken en dat is dan ook wat we voornamelijk doen. Op die manier tevens het overenthousiasme van de eigenaar van het hotel waar we verblijven, 'Sri Ganesh', uit de weg gaande. Want hoe goed het allemaal ook bedoeld mag zijn, erg veel zin hebben we niet in de dagelijkse gezamenlijke tripjes naar de trekpleisters van Mount Abu. Omdat 'Sri Ganesh' vol zit met reizigers die de zelfredzaamheid en het plezier van het zelf ontdekken een beetje verloren lijken te zijn, voelen we ons er helemaal niet thuis. Daarom zorgen we dat we de hele dag druk bezig zijn, en dat is niet moeilijk omdat de natuur in en rond Mount Abu ons zoveel te bieden heeft.

Cultureel gezien valt Mount Abu ons een beetje tegen, zeker na het beeldschone Udaipur. Hetgeen dat de stad te bieden heeft is begeven van de, met name Indiase, toeristen, daar dit plaatsje een ontsnappingsoord is voor de Indiers. Natuurlijk bezoeken we de ongeevenaarde Dilwara jaintempel diens tot in de kleinste detail gebeeldhouwde marmeren interieur nog indrukwekkender is dan het interieur van de jaintempels van Ranakpur. Helaas is het complex omgeven door een hoge muur en een grote hoeveelheid huizen en commercie waardoor het buitenaanzicht een teleurstelling is vergeleken met de geweldige natuurlijke setting van de tempels van Ranakpur.

Ook Adhar Devi, een 15e eeuwse uit een rots gehouwen Durgatempel, brengen we een bezoekje, voornamelijk voor het geweldige uitzicht dat we hebben door het beklimmen van de 220 traptreden die tot de tempel leiden. Omdat de tempel uitzicht biedt op het dal waarin het stadje gesitueerd is met haar heilige Nakki Talao (meer) en de omringende bergtoppen, hebben we zo een prachtig overzicht van het stadje dat gonst van de bedrijvigheid. Omdat we ook nogmaals willen genieten van het uitzicht op de vlaktes aan de andere kant van de bergen van Mount Abu beklimmen we via een 'alternatieve' (en niet de doorgaande!) route Sunset Point, Honeymoon Point en Gurudev's View van waaruit we de vlaktes tot kilometers ver kunnen bezichtigen en bestuderen. Vooral het laatste uitkijkpunt is het noemen waard omdat het een huisje betreft waar een hindoeguru (spirituele leraar) zich gevestigd had in het verleden en waar een vervallen weggetje naartoe leidt, hoog de bergen in. 'Guru's always choose good views'!

We willen nog hoger maar omdat de zon al bijna ondergaat besluiten we af te dalen; op zulke onbegaanbare plekken wil je niet zijn als het donker is want donker in India is echt heel donker. We zijn blij het stadje met haar drukke Indiase toeristen, haar prullewinkeltjes en haar prachtige natuur bezocht te hebben maar met evenveel plezier gaan we ook weer verder op reis, weg uit het vreemde 'Sri Ganesh' hotel! En voordat we het vergeten te vermelden, de thali's in het hotel zijn echt niet zo goed!

Jodphur, maandag 6 januari t/m woensdag 8 januari

Zonder dat we erom gevraagd hadden liet de rickshaw-driver in Jodhpur, onze volgende 'residentie', ons een groot deel van de stad zien. Met zijn karretje wringt hij zich een weg door de smalle straatjes van deze blauwe stad. Koeien ontwijkend (iets wat niet altijd lukt), toeterend en meerdere malen verkeerd rijdend is hij op zoek naar het hotel van onze eerste keuze, een hotel waar hij nog nooit van gehoord heeft. Vaak vragen, doodlopende steegjes inrijden en gratis 'sight seeing' is voor ons het gevolg, maar na zo'n drie kwartier zet hij ons toch bij hotel 'Fort View' af. Dit hotel met zijn 5 kamers is een verhaal apart. Dit kleine bedrijfje wordt gerund door Allen (door ons Mr. T. genoemd, omdat hij zo stoer is) een gepensioneerde vitale 77 jarige Indier uit de Brahminklasse. Natuurlijk verleent hij mensen in eerste instantie onderdak in zijn hotel maar hij heeft het hotel twintig jaar geleden opgericht met als doel 'views' uit te wisselen. Zo de reiziger enigszins prikkelend om zich verder te verdiepen in de Indiase gewoontes, cultuur, religie en filosofie. In Mr. T. vinden we drie dagen lang een goede gids, gezellige tafelgenoot en een goede discussiepartner. Zijn maaltijden zijn uitzonderlijk en geven ons een kijkje in de dagelijkse Indiase keuken. We bespreken gezamelijk de wereldpolitiek en hij geeft antwoord op onze vragen betreft India. Met veel passie en bevlogenheid wordt er verhaald over Ram en Krishna, de verhalen uit de Ramayana en de Mahabharata.

Hoewel we ons zeer vermaken verdient ook de stad zelf onze aandacht. Jodhpur is de op een na grootste stad van Rajastan en is gestitueerd rondom een massieve klif met het Meherangarh fort op de top. Vanaf de muren van dit indrukwekkende fort, soms 36 meter hoog, heb je een goed uitzicht op de duizenden blauwe huisjes waar Jodhpur om bekend staat. Over de kleur van de huisjes doen verschillende verhalen de rondte. Mr. T. beweert dat de Brahmins vroeger vanwege hun status hun huisjes in de Brahminkleur schilderden, blauw. Later, tijdens de nachtelijke bombardementen door Pakistan op Jodhpur (vanwege Kashmir) schilderden meer mensen hun huisjes blauw omdat witte huisjes te opvallend waren in het maanlicht. Volgens de Footprint heeft de kleur blauw echter niets met de Brahminklasse te maken maar werd deze verf gebruikt om pestdragende termieten te weren en onstond de kleur blauw door de chemicalien in de verf.

Ondanks de verschillende theorieen blijft het een feit dat de meerderheid van de huisjes in de stad blauw is, iets dat de stad een eigen karakter geeft. Iets wat lichtelijk afbreuk doet aan dit karakter is dat het mooie uitzicht lichtelijk bedorven wordt door een grauwe smogwolk die boven de stad hangt. Dit probleem beperkt zich natuurlijk niet alleen tot Jodphur maar is in heel India een treurige constatering. Zo is er bijvoorbeeld in de krant te lezen (Indian Times) dat in Ahmedabad de toegestane dioxine-uitstoot vijf keer wordt overschreden en dat mensen tegenwoordig met zuurstofmaskers de straat opgaan (als ze er geld voor hebben natuurlijk, de minderbedeelden moeten het doen met een zakdoek). In de steden wordt dit probleem grotendeels veroorzaakt door de twee-takt motertjes van de rickshaws en de vele dieselmotoren. Omdat in India alles en iedereen zich in de steden motorisch lijkt te verplaatsen is het te begrijpen dat dit probleem zich niet makkelijk laat oplossen. Maar is meer, veel meer dat India een vervuilend en vervuild land maakt. Zoals al eerder verteld wordt afval in India overal gedumpt en vervolgens verbrand, of men laat het gewoon rondslingeren. Natuurlijk is dit probleem niet alleen het probleem van India. Want het verminderen van schadelijke gassen door fabrieken en auto's gaat ons allemaal aan en we zijn er naar onze mening ook gezamelijk verantwoordelijk voor. Je vraagt je dan ook af wat voor een zin het heeft als individueel land je best te doen de schade te beperken terwijl men aan de andere kant van de wereld het behaalde ersultaat weer tenietdoet.

Dergelijke initiatieven tot verbetering hebben pas echt zin als ook het westen deze landen helpt de uitstoot van schadelijke gassen te verminderen. Maar ja, voor deze toekomst muziek moeten de westerse landen eerst India niet meer zien als een afvalberg voor bijvoorbeeld hun afgedankte schepen, oud papier en, je zult het niet geloven, zelfs tonnen staal van het WTC. Goed, een land dat pas iets meer dan vijftig jaar onafhankelijk is kan haast ook niet anders dan(nog) niet perfect zijn. Maar van de wereldproblemathiek weer terug naar onze reis. Ondanks het gezellige verblijf in Mr. T.'s hotel komt ook hier een einde aan en vertrekken we vroeg in de morgen naar Jaisalmer waar nog meer moois op ons wacht.


Jaisalmer, donderdag 9 januari t/m woensdag 15 januari

Het kleine stadje Jaisalmer met z'n 39.000 inwoners moet een goudmijntje zijn! Niet dat er werkelijk goud te vinden is, maar de steensoort waarmee de stadsmuren, het fort en de prachtige huizen gebouwd zijn lijkt van een afstand net goud. We hebben al eerder opgemerkt dat India zo leeg kan aandoen, dit ondanks de vele inwoners die het land heeft, omdat het land ook zo groot is. Maar als we door het woestijnlandschap Jaisalmer naderen voelen we helemaal de leegte die het uitstraalt. De karren met goederen, getrokken door kamelen die de gebruikelijke koeien vervangen, maken al helemaal dat we het gevoel krijgen in een andere wereld te zijn aangeland. Naast het compacte maar mooie fort, gesitueerd op een heuvel, staat Jaisalmer voornamelijk bekend om zijn woestijnomgeving, zandduinen en oasedorpjes wat het stadje ideaal maakte voor kameelsafari's.

In eerste instantie waren we niet naar het stadje gekomen om een kameelsafari te maken, hadden we er niet echt over nagedacht of Frank en Mijke op een stel kamelen wel goed zou gaan, maar je wordt er zo mee doodgegooid als je eenmaal in Jaisalmer bent gearriveerd dat je er haast niet onderuit kunt komen. Het hotel waar we verblijven, Golden City, prijst de tochten ook met zulke grote regelmaat bij je aan dat je jezelf er opeens op betrapt niet na te denken of je eigenlijk wel wilt gaan, maar hoeveel dagen het beste is zo'n tocht te maken. We voelen ons achteraf dan ook een beetje overgehaald maar we zijn wel heel nieuwsgierig geworden naar de zandduinen, de echte woestijn in onze ogen, die vanuit de stad zelf niet te zijn zijn en op zo'n safari blijkbaar wel.

We brengen eerst een paar dagen in het toeristische maar wel redelijk rustige stadje zelf door, tevens wachtend op warmere dagen. Niet dat het overdag koud is, maar het is in de avond en in de morgen goed te merken dat het niet alleen in Nederland maar ook in Rajastan winter is want ook de plaatelijke bevolking heeft het vaak flink koud; dat is overigens ook niet vreemd omdat het in dit woestijngebied vaak wel rond de 40 a 50 graden celcius is, terwijl het nu zo af en toe wel lijkt te vriezen. En met zulke kou kan het geen pretje zijn 'back to basic' in de woestijn te slapen! Meer dan hopen op minder koude nachten kunnen we ook niet want het uitstapje is al geboekt en daar we voor de budgetoptie hebben gekozen staan drie dagen en twee nachten (bibberen?) onder een dekentje op de harde woestijngrond op het programma. Waar zijn we aan begonnen.

Hoewel de drie kamelen die ons tijdens ons uitstapje vergezellen stevig bepakt en bezakt zijn omdat ze alle benodigde spulletjes voor de komende drie dagen met zich meedragen, zijn we blij dat de dieren er stevig en gezond uitzien. Over het algemeen worden dieren in India met respect behandeld en goed verzorgd, maar we maakten ons een beetje zorgen over de manier waarop 'werkdieren' als kamelen worden behandeld. Is het wel ethisch verantwoord om op kameelsafari te gaan? In de praktijk valt het allemaal mee, voor ons een hele opluchting, maar ook wel logisch daar de dieren ons de komende dagen moeten dragen en ze daarvoor in goede gezondheid moeten verkeren. En niet te vergeten, zo'n kameel is natuurlijk de inkomstenbron voor de eigenaar ervan en geen goedkope aanschaf (varierend van 15.000 tot 20.000 rupees, zo'n 750 tot 1000 gulden). Op zo'n klein goudmijntje ben je dan vanzelfsprekend trots en die behandel je met respect en veel zorg, hoewel we ook wel kamelen hebben gezien die er aanzienlijk minder gezond uitzien!

Het rijden op een kameel is in eerste instantie vrij gemakkelijk omdat de route die ze lopen vaak dezelfde is en de dieren haast uit zichzelf voortsjokken. Veel stuurwerk of aansporing is er niet nodig en we genieten dan ook vooral! Het opstappen is nog wel eens spannend, als de kameel vanuit lighouding opeens omhoog komt en je je plotseling meters boven de grond bevindt. Daarin zijn we helemaal afhankelijk van de kameeldrijver want alleen op zijn commando gaan de dieren liggen of staan. Vanaf de rug van een kameel ziet de wereld er wel behoorlijk anders uit, of dat gevoel hebben we in ieder geval. Het tempo ligt laag maar toch is de omgeving afwisselender dan we hadden gedacht, niet zo eentonig als we een beetje vreesden. Met name omdat je haast alleen in de woestijn bent, niemand je weg kruist behalve wat andere kameelrijders en lokale bevolking, doet de woestijnomgeving alleen en verlaten aan. Nergens is er beweging om je heen, niets anders dan het geluid van sjokkende kamelen, een hele opluchting in vergelijking met de herrie die er is overal waar Indiers wonen en werken.

Als de avond invalt wordt er ook noodgedwongen gestopt voor de overnachting want de enige lichtbron vervalt. Het eten dat Saleem, onze geweldige kameeldrijver annex kok voor ons bereidt, is helemaal vers en geweldig lekker, hoewel de mogelijkheden in de woestijn beperkt zijn. De kou slaat hard toe als de zon geheel onder is maar rond het vuurtje en met een deken om ons heengeslagen genieten we alledrie duidelijk van de sterrenhemel, de heldere maan en de stilte om ons heen, alsof we alleen op de wereld zijn, een wereld die volkomen leeg en stil is, ver weg van alle chaos en drukte van het leven in een Indiase stad. We zijn blij dat we ervoor gekozen hebben alleen op pad te gaan, zonder andere toeristen.
We liggen vroeg op ons zelfgefabriceerde bedje maar de slaap wil niet komen. De grond is hard en we liggen te bibberen onder de vele dekens, zo erg moeten we wennen aan het slapen in de buitenlucht. Ook de pijn in de benen en de rug die het onwennige rijden op een kameel met zich meebrengt is geen pretje en 's morgens staan we echt op het punt het bijltje erbij neer te gooien en terug te keren naar de bewoonde wereld en een hete douche.

Maar als de zon opkomt en haar stralen de wonderbaarlijke woestijn verwarmt krijgen we weer moed en des te langer we onderweg zijn des te leuker het rijden op een kameel wordt. Jammer dat onze lichamen daar anders over denken, het hobbelen en wiebelen op zo'n lomp dier is niet heel bevorderlijk voor de gezondheid als je niet gewend bent op een kameel te rijden. Daarom is het ook niet het rijden zelf waar we het meeste van genieten; het is voornamelijk de omgeving waar we deze hele tocht voor ondernemen. We moeten ons beeld van de woestijn flink aanpassen want het is niet een en al zand waarin we ons bevinden. Tuurlijk zijn er de geweldige zandduinen die ons voornamelijk aan het strand doen denken, maar er is een hoop begroeiing die we niet direct hadden gekoppeld aan woestijnlandschap. Weinig cactussen, veel laag struikgewas en de mooiste schaduwgevende bomen. Toch overheerst het gevoel van leegte, haast bergachtige leegte daar de woestijn niet zo plat is als we in eerste instantie dachten.

Een leegte die gepaard gaat met veel dood. Het is in de Thar-woestijn al zolang zo droog dat groene akkers tot droge harde woestijn grond zijn geworden en gehele dorpen uit gebrek aan een inkomstenbron en water verlaten zijn. Vooral jonge dieren overleven de droogte niet en overal om ons heen zien we kadavers en botten liggen, hoewel er ook leven is in de vorm van vitale volwassen herten, koeien, geiten, schapen en kamelen. De dood lijkt samen te gaan met het woestijnlandschap en we zijn meer onder de indruk dan dat we er echt door geschokt zijn.

Ondanks het goede gezelschap van onze grappige, zeer jonge (19 jaar) gids Saleem en de indruk die de woestijn vanaf de rug van een kameel op ons maakt, zijn we opgelucht als we na drie dagen terugkomen in Jaisalmer. Het was een bijzondere ervaring die ons nog lang zal bijblijven, maar voor ons even geen kameelritjes meer de komende tijd. Eerst maar eens bijkomen en onze lichamen tot rust laten komen, want dat hebben we wel even nodig. Maar we zullen Jaisalmer vanaf nu altijd herinneren als de plaats van de kameelsafari's.

Bikaner, donderdag 16 januari t/m dinsdag 21 januari

Soms sta je er toch weer versteld van hoe creatief Indiers zijn. In de bus die ons naar Bikaner zal rijden worden, als alle stoelen bezet zijn, plastic tuinkrukjes uitgedeeld aan eenieder die in het gangpad staat, zodat niet veel later zich een vijfde rij zittende mensen heeft gevormd. Nu maar hopen dat we niet hard hoeven te remmen! Omdat we geen genoeg kunnen krijgen (ahum) van de kamelen gaan we naar Bikaner waar de aankomende dagen het kamelenfestival wordt gehouden. Helaas brengt het festival veel drukte met zich mee, iets dat we 's avonds bij aankomst meteen merken. Alle westerlingen uit de bus scheuren in rickshaws door de stad, op zoek naar die ene overgebleven hotelkamer. En zo ook wij. Maar gelukkig weten we een kamer tegen een aardig prijsje te verkrijgen in 'Hotel Regent' waar de eigenaar Hari ons hartelijk ontvangt en ons uit vriendelijkheid maar zijn vrienden voor het leven noemt.

Hoewel een sjieke hotelkamer geen eerste levensbehoefte is voor ons, zijn we hier maar wat blij mee. Frank voelt zich niet zo lekker en uitzieken in een goede kamer is beduidelijk aantrekkelijker dan ziek zijn in een achteraf buurthoteletje. We slapen dan ook voornamelijk een hoop bij, Mijke doet gezellig mee met Frank, en zien de nieuwste films (wat moet je anders dan tv kijken als je de hele dag lang in een onpersoonlijke hotelkamer ligt?). Gelukkig is Frank niet zo heel erg ziek en met een paar dagen voelt hij zich alweer stukken beter. Het is wel een beetje bevreemdend dat zowat alle toeristen in het hotel lijden aan een of andere vorm van ziek zijn, varierend van een griepje tot aan flinke maag- en darmklachten (behalve Mijke!). Zou er dan toch iets van waarheid zitten in de verhalen die je hoort over opzettelijke voedselvergiftiging bij toeristen om ze zo langer in een hotel te houden of het ziekenhuis in te krijgen en zo een hoop commisie op te strijken?

Om toch inhoudelijk ook iets van het jaarlijkse kamelenfestival van Bikaner mee te krijgen begeeft Mijke zich in haar eentje de stad in, Frank voor de tv achterlatend. Dat het festival slechts een klein stukje lopen van het hotel vandaan is maakt de tocht er niet minder vermoeiend op; iedereen wil met je praten en de hand schudden en vooral jongens van onze leeftijd zijn erg geinteresseerd in een westers meisje dat alleen op stap is. Misschien begrijpelijk omdat naar het schijnt meisjes tot voor kort vaak geabborteerd werden daar jongetjes een stuk gewilder waren en een inkomstenbron (werkkracht) terwijl meisjes vooral geld kosten (bruidschat). Maar op den duur erg irritatie-opwekkend voor de vrouw in kwestie, Mijke dus, die blij is dat Frank normaal naast haar loopt. Hopen dat hij snel beter is want alleen op stap is ook lang zo leuk niet.

Het festival zelf valt een beetje tegen; waar Indiase festivals 'normaal' vergezeld gaan van veel eet- en drinkgelegenheden, veel koopwaar en een hoop chaos, heeft Bikaner niet meer te bieden dan een zittribune vol opgedoste Indiers, media in overvloed en een paar (verdwaalde?) westerse toeristen, met uitzicht op een dertigtal paraderende kamelen. Wel grappig versierd overigens!

Na een uurtje plaatjes van opgedoste kamelen te hebben geschoten begeeft Mijke zich maar weer richting hotel, nu ervan overtuigd dat een tweede dag kamelenfestival in een aangrenzend plaatsje echt een overbodigheid is; we hebben echt even genoeg van die lompe hobbeldebobbelbeesten gezien!

We vragen ons, als ook Frank weer op de been is, beide in eerste instantie af wat Bikaner nou precies een leuk plaatsje maakt en waarom we Bikaner in godsnaam hebben aangedaan. Oke, voor ons lag Bikaner mooi op de route en er was net een festival, maar er moet toch meer zijn. De stad komt chaotisch op ons over en van een echte stad lijkt er niet echt gesproken te kunnen worden omdat de samenhang tussen de stadsdelen kwijt is en er van een werkelijk centrum geen sprake is. Gelukkig beginnen we het beetje bij beetje te ontdekken: het fort is klein maar geweldig mooi en fijn gedecoreerd, een juweeltje in vergelijking met de vele forten die we al hebben mogen bewonderen. Zeer de moeite van het bezoeken waard en het uitzicht over de stad is vanuit het fort erg mooi.

Ook het oude stadscentrum van Bikaner straalt pracht en praal uit. Het is een beetje zoeken, met dank aan de Indiase jongen die zo aardig is ons rond te leiden, maar uiteindelijk bevinden we ons tussen de prachtigste haveli's en tempels. Waarom zich toch hier niet 'en masse' toeristische gelegenheden hebben gevestigd is ons niet duidelijk, dit is hetgeen wat Bikaner het bezoeken waard maakt. Maar het heeft misschien wel zo zijn charme dit stadsdeel onaangetast te laten. Vooral de Bandeshwar jaintempel is uitzonderlijk; in tegenstelling tot de marmeren sculpturen en beeldhouwwerken van de meeste jaintempels heeft deze een interieur van geschilderde sculpturen, fraaie schilderingen en mooi spiegelwerk; een vrolijk en zeer bijzonder alternatief op de kleurloze jaintempels die we tot nu toe hebben gezien.

Tot slot bezoeken we ook nog de Karni Mata Mandir, ook wel de 'Rattemple' geheten, drieendertig kilometer ten zuiden van Bikaner in Deshnoke. Iets wat we eigenlijk al veel eerder verwachtten gebeurd nu midden in de woestijn. De bus waarin wij ons begeven heeft er geen zin meer in en met veel geratel, stank en rook komt het gammele vehicle tot stilstand, pech op de snelweg en 'in the middle of nowhere'! En Indiers zullen Indiers niet zijn als ze zich niet met z'n allen om de rokende moter verzamelen en iedereen denkt te weten wat er aan de hand is. Juist door deze wijsheid valt de moter geheel uit elkaar en is een vervolgritje in deze bus 'out of the question'! Achteraf hebben we spijt dat we geen foto's van dit uitzonderlijke Indiase tafereeltje hebben gemaakt. En daar sta je dan, langs de weg, in de brandende zon, what to do? Ondanks dat we het vaak als een nadeel ervaren om blank te zijn in India komt het nu wel van pas. Voordat we het weten stopt er een Ambassador met een aardige man en vrouw, plus een brutaal keffertje, die ons graag willen meenemen. We nemen dit aanbod dankbaar aan en staan kort daarna met dit nieuwe gezelschap voor de 'Rattemple'.

Deze 17e eeuwse tempel met z'n massief zilveren poorten en witte marmeren sculpturen is opgedragen aan een 15e eeuwse mystica, aanbeden als een incarnatie van de hindoegod Durga. Muizen en ratten, gevoed met zoetigheden en melk daar deze gezien worden als gereincarneerde heiligen, zwerven 'en masse' door en om de tempel heen, rondom de voeten van bezoekers. De viezigheid valt ons reuze mee daar het aantal muizen en ratten aanzienlijke meevalt; we hadden er nog veel meer verwacht! We vinden het wel een beetje zielig voor de diertjes die allemaal schurft lijken te hebben en suf zijn van hetgeen waarop ze leven (drank?), treurig in chocktoestand om zich heenkijkend. We merken wel heel duidelijk dat de diertjes als heilig worden beschouwd, en het bezoeken van deze tempel door hindoes een serieuze aangelegenheid is. Iedereen is naarstig op zoek naar de witte rat want het zien van deze bijzonder gekleurde rat brengt geluk. Het is mooi om te zien dat hindoes de tempel met veel gewichtigheid betreden, de ratten en muizen voeren, de witte rat zoeken en daarna weer verdwijnen, en dat alles in enkele minuten! Een rattentempel, het kan ook alleen en op een serieuze manier in het fascinerende India; we genieten van de vreemde gewaarwording die deze uitzonderlijke tempel voor ons is.


Jaipur, woensdag 22 januari t/m zaterdag 25 januari

Als laatste stad in Rajastan doen we de hoofdstad Jaipur aan, met z'n rozekleurige bazaars, paleizen en haveli's, de traditionele welkomskleur. Dat we de gebouwen persoonlijke eerder oranjegekleurd vinden doet niets af aan de sfeer die deze stad uitstraalt en ondanks de negatieve verhalen over Jaipur voelen we ons er prima thuis en vermaken we ons goed in deze stad. De stichter van de stad, Maharaja Jai Singh II, creerde deze 'stad van de overwinning' in 1727 op basis van mathematische en wetenschappelijke inzichten; de man was een groot geleerde, en het stratenpatroon is dan ook gebaseerd op een wiskundig blok van negen vierkanten, zo de traditionele hindoekaart van het universum nabootsend met de heilige berg Meru, Siva's thuis, in het centrum (hier het koninklijke paleis).

Het koninklijke paleis, hoe mooi het ook is, kan ons niet echt boeien. Niet omdat het niet indrukwekkend is maar meer omdat dit het zoveelste paleis is dat we bezoeken en we vele mooiere exemplaren hebben bezichtigd. Het in de buurt gelegen 'Jantar Mantar' vinden we daarentegen wel interessant. Letterlijk vertaald betekent 'Jantar Mantar' 'meten van de harmonie van de hemellichamen' ofwel: observatorium. Deze tuin met instrumenten werd tussen 1728 en 1734 door de Maharaja ontworpen en in zijn opdracht gebouwd. Hij werkte eerst met koperen meetinstrumenten maar omdat deze naar zijn mening niet accuraat genoeg waren ontwierp hij metershoge instrumenten die werden opgetrokken uit steen en marmer. Elk instrument heeft een eigen functie en geeft een nauwkeurige meting van de hemellichamen. Hindoes geloven dat hun ziel beweegt op het ritme van het universum en het 'matchen' van horoscopen is nog steeds een essentieel deel van het vinden van een geschikte huwelijkspartner.

In praktijk blijkt dat de huidige sterrenstand gunstig is voor een huwelijk. Hiervan getuigen de vele huwelijken die plaatsvinden tijdens ons verblijf in Jaipur. Overal in de straten van de stad zijn optochten te zien van opgedoste mensen met de bruigedom trots zittend op een versierd paard, zelf gehuld in traditionele huwelijkskleding. Deze parades gaan gepaard met veel muziek, licht in de vorm van vele gekleurde lampen die op de schouders worden gedragen en natuurlijk het rijstgooien. Voor de feesten zelf zijn op verschillende plaatsen grote tenten opgetrokken in de vorm van paleizen en villa's waar de bruiloften worden gevierd. Wij aanschouwen deze gebeurtenissen met bewondering en genieten van dit stukje Indiase pracht en praal.

De volgende dag nemen we een auto-rickshaw (daar een fiets-rickshaw de bergen niet opkomt) om in het naburige Amber te komen. Het plaatsje zelf stelt tegenwoordig niet veel meer voor; vroeger domineerden het magnifieke fort en paleis de smalle valei waarin Amber gelegen is. Het paleis en fort liggen tegen een bergrug opgeworpen en geven het stadje een middeleeuws aanzicht. Het paleis zelf besluiten we niet te bezoeken daar we al genoeg interieurs van paleizen hebben mogen bewonderen in Rajastan. Het Jaigarh Fort daarentegen is groter en drukwekkender dan alle anderen en geeft een goede indruk van de macht van de heersers van Jaipur. Zover als het oogt reikt, overal zie je stevige verdedigingsmuren over de steile bergen heenlopen, allen samenkomend bij het massief lijkende fort. Tijdens de wandeling bergop richting fort is niet moeilijk voor te stellen dat er nooit iemand in is geslaagd het fort in te nemen; alleen de beklimming is al vermoeiend genoeg!

Zo robuusk en lomp als het fort van buiten aandoet, zo fijn ontworpen en gedecoreerd is het van binnen met haar tuinen, ranke uitkijktorens en versierde vertrekken. Onder het fort loopt een wirwar van donkere gangetjes door die je elke keer weer naar een nieuw deel van het fort brengt, leuk om in rond te dwalen! Maar de trots van de Indiers bevindt zich misschien wel in een wat hoger gelegen deel van het Jaigarh Fort. Op de top van een toren staat het vijftig ton wegende Jai Ban Kanon; dit gevaarte wordt beschouwt als het grootste kanon ter wereld op wielen en heeft een bereik van twintig kilometer. Groot is het, maar wij vragen ons af hoe men weet wat het bereik ervan is aangezien het nooit gebruikt is. Na door het Jaigarh Fort te hebben gedwaald beginnen we aan een acht kilometer lange wandeling naar het Tiger Fort aan de rand van Jaipur. De wandeling is lang en de zon brandt maar toch is deze de moeite waard, vooral om even weg te zijn uit de drukte. Het Tiger Fort is niet veel meer dan een ruine en is vooral in trek omdat je vanaf de muren een goed uitzicht hebt op de stad. Wij verbazen ons nogmaals over de grote bouwwerken van Jaipur en begeven ons via een slingerend pad terug de stad in, waar we vermoeid maar voldaan een fiets-rickshaw nemen richting hotel.

Op onze laatste dag in Jaipur slenteren we nog wat door de stad en bekijken Jaipur's meest beroemde gebouw, het Paleis van de Wind. Vanuit dit paleis konden de vrouwen van de Maharaja ongezien door de gedecoreerde ramen de processies op straat aanschouwen. Ook brengen we nog een bezoekje aan de tuinen van het paleis die ongetwijfeld heel mooi waren in het verleden maar tegenwoordig door het gebrek aan water een grote leegte achterlaten in het centrum van de stad. 's Avonds maken we ons klaar om de bus te nemen, die erg lang op zich laat wachten, richting Haridwar. Een leuke rit van twaalf uur, NOT!